De dader moet het voornemen hebben om het misdrijf te begaan.

Ambtelijk Misdrijf In het Wetboek van Strafrecht is medeplichtigheid aan een misdrijf strafbaar gesteld, en wordt er niet gesproken van medeplichtigheid aan een overtreding. Bij het begaan van een strafbaar feit door bijvoorbeeld een declarant van de douane-expediteur, is deze declarant geen vertegenwoordiger van de rechtspersoon maar een werknemer van de rechtspersoon. In dit hoofdstuk zijn geen procedures en ambtelijke werkzaamheden opgenomen. De pleger is degene, die het strafbare feit heeft gepleegd. De dader moet het voornemen hebben om het misdrijf te begaan. Uit de begrippen volgt dat een medepleger niet feitelijk aanwezig hoeft te zijn wanneer het strafbare feit werd begaan.

Wanneer de dader uit berouw, uit angst voor de gevolgen van de voltooiing, van zijn misdrijf afziet, dan is er geen sprake van een strafbare poging. Het aanbieden van een transactie houdt in dat de verdachte vrijwillig een geldboete betaalt met als gevolg dat het recht op strafvervolging vervalt. Dit is de tegenhanger van het misdrijf van artikel 363, lid 1, Wetboek van Strafrecht zoals hierboven omschreven. Oogmerk is meer dan menen, wensen of hopen; oogmerk als opzetvorm wordt gekenmerkt door een doelgericht en doelbewust handelen van de dader willens en wetens. Wanneer u een proces-verbaal valselijk opmaakt of vervalst, maakt u zich schuldig aan het misdrijf van artikel 226, lid 1, Wetboek van Strafrecht. Dit betekent dus dat er altijd een wet moet zijn die de bevoegdheid regelt om de bescherming te doorbreken. Deze grondwettelijke bescherming kan alleen bij of krachtens de wet worden doorbroken.

Voorts zal de preambule ten aanzien van enkele overwegingen die geen raakvlakken hebben met de tekst van het kaderbesluit, nog worden aangepast. De ondervinding heeft echter de onvolkomenheden van de wet van 3 mei 1880 tot uiting gebracht. Bij de toepassing van andere bijzondere wetten kunnen deze wetten ook bepalingen van strafvordering kennen. Op grond van artikel 107 van de Grondwet is het mogelijk strafbepalingen op te nemen in een wetboek. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn enkele uitzonderingen te vinden op de bovengenoemde hoofdregels.

Een rechtspersoon kan worden gezien als een organisatie van personen die rechten en verplichtingen kan hebben en zelfstandig aan het rechtsverkeer kan deelnemen, bijvoorbeeld door het aangaan van een rechtsgeding of door het kopen c. Lid 1 van artikel 51 Wetboek van Strafrecht geeft aan dat strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en door rechtspersonen. In 1976 heeft de wetgever artikel 51 Wetboek van Strafrecht in het leven geroepen, dat de strafbaarheid van rechtspersonen regelt. Als voldaan is aan beide begrippen, kan er worden gesproken van medeplegen. Voor het strafrecht gelden de algemene begrippen die betrekking hebben op de strafbaarheid van het feit. Een andere vorm van deelneming betreft de strafbaarheid van een rechtspersoon. In dit hoofdstuk zijn geen strafbepalingen opgenomen. Hulphandelingen, begaan na het strafbare feit, leveren dus geen strafbare medeplichtigheid op.